Ware liefde, iedereen droomt ervan en verlangt ernaar. Onbezonnen, redeloze, alles verzwelgende liefde voor de ander. Liefde waarbij je niet zonder elkaar kunt. Liefde die van twee personen één maakt. Het laatste sprookje waarin nog geloofd wordt.
Er wordt in België weer meer getrouwd. In de eerste helft van 2006 werden er volgens het federaal agentschap van de statistiek opmerkelijk meer trouwpartijen gevierd, vooral in Vlaanderen. Mensen geloven dus nog in de ware liefde, de eeuwige trouw, de perfecte partner, iemand die er altijd zal zijn voor ons, met zijn of haar onvoorwaardelijke liefde.
Volgens recent onderzoek van ondermeer het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) richten we ons daarbij echter te veel op eigen huis en haard, en besteden we te weinig tijd aan sociale contacten, wat nefast is voor onze relatie. We beknibbelen op bezoekjes aan familie en vrienden. Met onze collega’s spreken we alleen over het werk, en urenlang koffiekletsen met een vriendin gebeurt steeds minder. Onze ziel leggen we nu enkel nog bloot bij onze partner, die tegelijk collega, vriend en broer moet zijn, en die zich daarbij als een slimme, gezellige en serieuze luisteraar en prater moet vertonen.
Volgens de Amerikaanse historica Stephanie Coontz zou dat groeiend individualisme ons parten spelen in onze relatie, want om gelukkiger te worden, moeten we ons in een huwelijk juist meer naar buiten richten, stelt zij.
Stephanie Coontz schreef onlangs de wereldgeschiedenis van het huwelijk, ‘Marriage, a History’. Jammer genoeg is het boek nog niet vertaald, maar haar gedachtegoed kan je wel lezen op Internet. Boeiend genoeg om nu al te verlangen naar de Nederlandse vertaling van het boek.
Zij bespreekt in een geschiedenis van duizenden jaren en van over de hele wereld de ontwikkeling van het huwelijk en de revolutionaire crisis van het huwelijk van de afgelopen decennia. Zij laat zien hoeveel verschillende vormen en betekenissen het huwelijk heeft gehad en op hoeveel manieren het huwelijk was ingebed in de bredere sociale verhoudingen van vele verschillende maatschappijen. Maar vooral hoe het huwelijk duizenden jaren lang gericht was op het verkrijgen van eigendom, rijkdom en macht, waarbij het mooi meegenomen was als bleek dat de echtgenoten goed tot zeer goed met elkaar overweg konden. Pas de afgelopen tweehonderd jaar werd liefde een basis voor het huwelijk. De voorbije decennia bleek deze verandering echter ook een revolutionaire desintegrerende factor te zijn voor de stabiliteit van het huwelijk.
Betekent dit nu dat we weer meer moeten trouwen om praktische en materiele redenen? Neen, maar misschien wordt het tijd om de verwachtingen van een relatie naar beneden te schroeven en onze partner wat minder onder druk te zetten.
Een partner die in je leven stapt, kan je geluk vergroten, maar hij zal je niet gelukkig maken. Jij staat in voor je geluk, niet je partner. Iemand die je graag ziet, bewonder je in bepaalde opzichten. Maar hij of zij is geen held of supermens. Verlang dat dan ook niet van je partner. Iedereen heeft een bepaald talent, maar niemand is alleskunnend.
Uiteindelijk is het ook zo dat iedereen zijn eigen leven leidt. En daar horen ook andere mensen bij. Uit onderzoek blijkt dat mannen en vrouwen die vertrouwelingen hebben buiten het eigen gezin, geestelijk en lichamelijker gezonder zijn dan mensen die voor intieme gevoelens en steun op slechts één persoon zijn aangewezen.
In haar boek verwijst Stephanie Coontz naar de huwelijken uit het verleden, waarin mannen vriendschappen ontdekken en vrouwen het sociale leven buiten de relatie. Dat gebeurde in de Middeleeuwen, de Victoriaanse tijd en in de periode ná de jaren vijftig. Het woord liefde werd volgens Coontz door de Victorianen zelfs vaker gebruikt met betrekking tot buren, broer, zus, en kerkgenoten dan tot de echtgenoot. Zo was het in het begin van de negentiende eeuw niet ongewoon dat het paar zich zijdens de huwelijksreis liet vergezellen door familie en vrienden.
Ook diverse Europese historici onderstreepten al dat huwelijken in West-Europa al sinds de late Middeleeuwen uitzonderlijk zijn: ze vormen een eigen huishouden én zijn naar buiten gericht. Na het sluiten van het huwelijk was het huishouden met twee personen maar klein. Als één partner uitviel, was je sterk aangewezen op de hulp van de buren, de kerk of het dorp. En daarnaast waren de mannen en vrouwen actief buiten het huishouden. Veel vrouwen werkten in hun jeugd en hadden ook daardoor al sociale verbanden opgebouwd.
Als we eeuwenlang die relaties onderhielden, waarom lijkt de blik van geliefden – al dan niet gehuwd of samenwonend – nu vooral naar binnen gekeerd? Misschien simpelweg omdat anderen voor praktische ondersteuning niet meer nodig zijn. Vroeger had je je buren nog nodig als sociaal netwerk bij bijvoorbeeld ziekte of andere zware tegenslag. Maar nu zijn onze sociale netwerken geprofessionaliseerd en doen we beroep op een of andere dienst.
Naarmate mensen minder tijd besteden aan de bredere persoonlijke betrekkingen, worden zij blijkbaar afhankelijker van romantische relaties vol intimiteit. Het kan dan gebeuren dat de relatie mislukt door er te veel van te verwachten. Als die dan stukloopt, raken wij echter gemakkelijker in een isolement, omdat we voor genegenheid en steun aangewezen zijn op slechts die ene persoon.
Eén op de drie huwelijken mondt uit in een echtscheiding. Dat zijn wel veel eenzame mensen samen.
Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding 2.0 België licentie